Hans en Grietje

hansengrietje
Er werd op de deur geklopt.
“Ga weg!” riep Hanna zonder op te staan uit haar stoel.
Er werd nog een keer geklopt.
“Laat ons binnen! We hebben honger!”
Het waren kinderstemmen. Hanna was verbaasd. Wat deden kinderen om deze tijd (het was bijna middernacht) op deze plek?

Hanna woonde samen met haar drie katten in een huisje diep in het bos, ver weg van alle mensen. Eens in de week reisde ze naar een dorp in de buurt om haar zalfjes en drankjes te verkopen. De rest van de week was ze alleen. En dat beviel haar best. En het beviel de dorpelingen ook, want hoewel ze graag gebruik maakten van de medicijnen die Hanna maakte, wilde ze de heks liever niet de buurt van het dorp. Hoe dieper in het bos ze woonde, hoe beter de mensen het vonden. En dat vond Hanna ook en dat vonden de drie katten ook.

De kinderen bleven op de deur kloppen en klagen over honger.
Zuchtend stond Hanna op. Ze liep naar de deur met een lamp in haar hand. Ze deed open en zag twee magere kinderen, een jongen en een meisje. Het meisje deed het woord.
“Hallo mevrouw. Wij zijn Hans en Grietje, en we zijn verdwaald, en we hebben zo’n honger, en toen zagen we een lichtje, en dat was een huisje, en wilt u ons alstublieft binnen laten?”
“Ik ben een heks,” zei Hanna. “Weten jullie wat dat betekent?”
Het jongetje, Hans, werd heel erg bleek. Het meisje antwoordde onzeker: “Wat betekent dat dan?”
Hanna zei rustig: “Dat betekent dat ik kinderen op eet. Vooral jongetjes.”
Hans begon te huilen, maar Grietje bleef de oude vrouw doordringend aankijken.
“U moet ons echt binnen laten mevrouw. We kunnen nergens anders heen en we hebben zo’n honger!”
Hanna keek de kinderen aan. Ze waren mager en vies en ze liepen op blote voeten.
Ze kon ze niet terug het bos in sturen. Dat zou waarschijnlijk hun dood worden. Maar eigenlijk wilde ze hen ook niet in haar huis.
“Goed dan, kom maar binnen.”
Grietje stapte resoluut de drempel over, maar Hans bleef angstig staan, de tranen nog steeds in zijn ogen. Grietje trok hem aan zijn arm en toen kwam hij toch mee.
“Ga hier maar zitten,” zei de heks. “Ik zal eieren voor jullie bakken.”
Ze bakte de eieren op de kachel omdat ze geen zin had om het grote fornuis in de keuken aan te maken. Bovendien zou het veel te lang duren voor het fornuis heet genoeg was.
De drie katten kwamen nieuwsgierig kijken die bibberend van de kou op de grond zaten.
Hans was bang van de zwarte dieren met hun groene ogen, maar Grietje had er wel belangstelling voor. Ze aaide hen, en de katten lieten het toe.
Niet veel later zaten de kinderen te smullen van een beker geitenmelk, een homp brood en een heerlijk gebakken ei.

Grietje praatte honderd uit.
“Dank u wel mevrouw. Dit is het lekkerste wat we ooit gegeten hebben. Nog lekkerder dan suiker of peperkoek! Al was het hele huis van peperkoek, dan zou het nog niet zo lekker zijn als dit. God zal u ongetwijfeld lonen.”
In het licht van de olielamp en van een heleboel kaarsen zagen de kinderen talloze flesjes en potjes in houten kasten en geheimzinnige schilderijen aan de wand. Het ontging ze ook niet dat er een grote gedroogde ham aan het plaffond hing en dat de kaarsen in dure kandelaars stonden.
“Die heks is heel erg rijk,” fluisterde Hans naar Grietje. Hanna kon het duidelijk horen.
“Ik ben inderdaad rijk, en weet je hoe dat komt?” Hanna keek de jongen streng aan. Hans schudde zijn hoofd.
“Dat komt omdat ik botten van kinderen verkoop. Nadat ik ze opgegeten heb maak ik hun geraamte schoon en dat verkoop ik op de markt. Vooral jongetjes leveren heel veel geld op.”
Hans rilde van angst en kneep hard in Grietjes arm. Grietje zei: “Die mevrouw maakt een grapje, Hans. Het was ook niet heel beleefd van je om dat te zeggen. En om te fluisteren!”
Hanna vond haar een pittig meisje. De jongen vond ze een vervelende lastpost. Het liefst zou ze hem meteen weer terug het bos in sturen, maar dat kon natuurlijk niet.
“Hoe komt het dat jullie zo heel alleen in het bos zwerven?” vroeg Hanna. Ze had meteen spijt van haar vraag, want Grietje kwam weer met een heel verhaal over een vriendelijke vader, een boze schoonmoeder, over een spoor van broodkruimels die werden opgegeten door vogels en over een angstige tocht door een donker woud. En hoe ze uiteindelijk het licht van een huisje hadden gezien en hoe ze hier terecht waren gekomen.
“Een heel boeiend verhaal,” zei Hanna sarcastisch. “En nu naar bed!”
Van stro en dekens maakte Hanna een slaapplek voor de kinderen, en daarna ging ze zelf haar bedstee in. De drie katten kropen bij haar.

De volgende ochtend ontbeten ze en bespraken wat er moest gebeuren.
“Jullie kunnen hier niet blijven,” zei Hanna.
“Maar waar moeten we dan heen?” wilde Grietje weten.
Hanna legde uit hoe ze het beste bij het dorp konden komen. Het was maar een paar uur lopen, en als ze een beetje op letten en niet zouden verdwalen, dan kwam alles vanzelf goed.
“Waarom kunnen we niet blijven?” vroeg Grietje. “Ik kan helpen in het huis. Ik kan schoon maken en koken en u zult echt geen last van ons hebben.”
“En wat kan je broertje? Wat heb ik aan hem?”
“Aan mij heeft u niets,” zei Hans gehaast. “Ik loop alleen maar in de weg. U kunt ons beter laten gaan. We gaan naar het dorp en daar redden we ons wel.”
“Nee,” zei Grietje, “nee, Hans kan voor de dieren zorgen. Daar is hij heel goed in.”
Hanna lachte. “Mooie dierenverzorger zou dat zijn. Volgens mij is hij bang voor katten.”
“Alleen als het donker is,” zei Hans. “Overdag ben ik voor niemand bang, en zeker niet voor katten!”
“En ook niet voor heksen die brutale jongentjes opeten?”
Hanna lachte weer, maar nu iets vriendelijker. Grietje moest ook lachen.
Hans probeerde te lachen, maar het wilde niet goed lukken,
“Nou vooruit dan. Voorlopig kunnen jullie blijven. Totdat we een betere oplossing hebben gevonden.’

Hanna leerde Grietje hoe ze het grote fornuis in de keuken aan maakte met de houtbokken uit de schuur. Ze leerde Hans hoe hij de dieren moest voeren en voor de moestuin moest zorgen. De katten gingen de kinderen steeds leuker vinden, en zelfs Hans kwam over zijn angst heen.
De dagen gingen voorbij. Hanna miste haar eenzaamheid en de rust in huis, maar ergens vond ze het ook wel leuk.
En omdat Grietje het meeste werk in huis deed had Hanna meer tijd voor haar drankjes en zalfjes.
Hans was minder nuttig; hij bleek vooral heel goed in eten, maar toch begon Hanna hem ook wel aardig te vinden.
Grietje toonde veel belangstelling voor het werk van de heks. Ze wilde alles weten over de kruiden en de oliƫn, en wat kostbaar was en wat niet. Hanna legde het haar graag uit. Ze liet alles zien, ook waar ze sieraden en haar geld bewaarde.
En Grietjes plan nam steeds duidelijkere vormen aan, Ze besprak het nog niet met Hans, want ze was bang dat hij van de zenuwen zijn mond voorbij zou praten. Ze zou Hans op het laatste moment wel op de hoogte brengen.

Een paar weken later kwamen Hans en Grietje terug in het huis van hun vader. De arme man was heel blij zijn kinderen gezond en weldoorvoed weer terug te zien. Vooral Hans was weer op vol gewicht. Nog blijer was vader dat zijn kinderen allerlei kostbaarheden bij zich hadden. Zeldzame kruiden, geurende olieen, en een buidel vol geld.
Zelfs de stiefmoeder was blij dat de kinderen terug waren, of in ieder geval dat ze zoveel kostvaarheden hadden meegenomen,
Hans en Grietje vertelden dat ze gevangen waren genomen door een gemene heks in een huisje van peperkoek, dat ze geprobeerd had Hans vet te mesten om hem later op te eten, maar dat ze haar hadden verslagen door haan in de hete oven te duwen. En dat ze vervolgens haar schatten hadden meegenomen.
Het was een vreemd verhaal, maar ze hadden wel de schatten om het te bewijzen. Het moest dus wel waar zijn.


Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *


+ 4 = 13

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>