Hotel Worghem

De treinreis was niet bepaald voorspoedig verlopen. Door de hevige storm waren een aantal treinen uitgevallen of vertraagd, en bij elkaar had meneer Kortvanstof uren vertraging opgelopen. En nu dacht hij eindelijk in de goede trein te zitten, en die goede trein leek eindelijk goed door te rijden, toen er toch weer gestopt werd bij een klein station.

“Station Wergenwaal,” klonk het door de omroepinstallatie. Meneer Kortvanstof had nog nooit gehoord van een plaats die zo heette. 

“Deze trein zal niet verder rijden. Er zijn bomen omgewaaid en op de rails gevallen. We kunnen niet verder. U wordt allen verzocht hier uit te stappen. Er zullen bussen worden ingezet om u verder bij uw bestemming te brengen.”

Buiten begon het donker te worden, het waaide hard, en de regen striemde de oude heer Kortvanstof in het gezicht. In de kleine stationshal was het gelukkig warm en droog. Er waren nog een stuk of twintig andere gestrande reizigers in de hal. In afwachting van de bussen werd er koffie uitgedeeld.

“De heer Kortvanstof!” riep een medewerker met een blauw uniform. “Post voor de heer Kortvanstof!” Meneer Kortvanstof keek verbaasd op. Hij meldde zich bij de medewerker.
“Er is post voor u meneer.”

“Maar hoe kan dat? Niemand kent me hier.”

De man in het uniform liet hem een oude envelop zien. Een sierlijk handschrift meldde duidelijk: “Aan de heer Y. Kortvanstof, die op de avond van 7 december 2011 om 18:53 zal arriveren op station Wergenwaal.”

Hoe had iemand kunnen weten dat hij hier op deze avond zou arriveren? Tot een paar minuten geleden had hij dat zelf niet geweten!

Kortvanstof scheurde de envelop open terwijl de man in het uniform, en een aantal andere mannen, nieuwsgierig toekeek. “Die brief ligt hier al jaren,” zei de man, “en we keken allemaal uit naar deze avond, we waren allemaal heel benieuwd wie u zou zijn, en vooral naar wat er in die brief zou staan. Dus als u er geen bezwaar tegen heeft…”

Dat had Kortvanstof wel. Als die brief inderdaad voor hem was wilde hij hem graag alleen lezen. Het teleurgestelde personeel droop af, maar bleef vanaf een afstandje toe staan kijken.

“Lieve Ysbrant, 
Als u dit leest zult u zijn aangekomen in Wergenwaal, en dat verheugt mij. Kom zo snel als u kunt naar Hotel Worghem, zodat wij elkaar eindelijk kunnen ontmoeten. U twijfelt misschien omdat u mij niet kent, maar als ik het goed heb kunt u vanavond nergens anders meer heen, en u zult toch een slaapplaats nodig hebben. Kom dus maar snel.

Liefs M.” 

De brief leek echt gericht te zijn aan meneer Kortvanstof, die inderdaad Ysbrant als voornaam had. En de datum klopte ook. Maar hij had nog nooit gehoord van een hotel dat Worghem heette, en hij had geen idee wie M zou kunnen zijn. Het handschrift leek van een vrouw te zijn, een wat oudere vrouw, schatte hij zo in.

Na wat rond vragen bleek het hotel niet zo heel ver weg te zijn, op een heuvel net buiten de stad. Het enige probleem was dat het al jaren leeg stond.
Omdat de beloofde bussen weg bleven, en omdat hij nieuwsgierig was, besloot Kortvanstof de regen te trotseren en buiten een taxi naar hotel Worghem te zoeken. Op de taxistandplaats stond een klein blauw autootje. Een jonge vrouw met donker haar opende het portier en riep hem toe: “Meneer Kortvanstof?”

“U kent mij?”

“Stap snel in meneer, voordat u kletsnat wordt.”
Kortvanstof nam plaats op de passagiersstoel, de jonge vrouw startte de motor, en de auto reed snel het centrum van de stad uit.

“Waar gaan we heen?” vroeg Kortvanstof.

“Waar had u heen gewild?” was de wedervraag.

Dat was een goed punt, vond Kortvanstof. Het doel van zijn reis was eigenlijk een logeerpartij bij zijn broer in Groningen, maar hij begreep wel dat dat vandaag niet meer ging lukken. Hij vertelde de vrouw dat hij op weg was naar een hotel.

“Hotel Worghem?” 

“Precies.”

De vrouw zette de auto stil langs de kant van de weg. Tussen de bomen stond een groot vervallen gebouw. “Dat is hotel Worghem,” wees ze, “en u wordt er verwacht. Maar als ik u was zou ik er niet heen gaan.”

“Wat weet u er van?” vroeg Kortvanstof. “Bent u de geheimzinnige M die mij die brief geschreven heeft?”

“Nee. Mijn naam is Jessica, zonder M. Ik denk dat u mijn grootmoeder bedoelt. Zij heet Mathilde. Mathilde Worghem, met een M.”

“Maar hoe kan uw grootmoeder mij kennen? Ik heb nog nooit gehoord van een Mathilde Worghem.”

Jessica zweeg. De regen tikte tegen het dak van de auto, en de wind loeide om het oude hotel. Er liep een traan over haar wang, of zo leek het. Kortvanstof kon het in de donkere auto niet heel goed zien.
“Ik weet niet hoe mijn grootmoeder dingen weet. Ik weet ook niet wat ze van u wil. En juist daarom zou ik ook niet naar binnen gaan, als ik u was.”

“Maar wat zou er kunnen gebeuren?” wilde Kortvanstof weten. 
“Denkt u dat uw grootmoeder mij iets aan zou willen doen? En wat zou ze kunnen doen? Een oude vrouw…”

Jessica staarde peinzend over de donkere weg. Ze leek te hinken tussen twee gedachten. 
Kortvanstof dacht ook na.

“Ik kan u ook ergens anders heen brengen,” opperde Jessica. “Er zijn nog wel meer hotels in de buurt.”

“Dat zou kunnen,” antwoordde Kortvanstof. “Maar nee.”

Ze keken elkaar aan.
“Wie u grootmoeder ook is, en wat ze me ook aan wil doen, ze verwacht mij. En dat zegt wat. Niet veel mensen verwachten mij nog. Sinds mijn vrouw is overleden en sinds ik met pensioen ben wil niemand nog iets van me. Niemand behalve uw grootmoeder. Dat betekent veel voor me. En als het slecht af loopt, dan loopt het maar slecht af.”

Jessica boog zich naar hem toe en gaf hem een zoen op zijn wang.
“Kom, we gaan naar binnen,” zei ze.


Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *


2 + 6 =

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>